Brugge

Brugge groeide rond de vesting, opgericht door Boudewijn, graaf van Vlaanderen, op bevel van zijn schoonvader en suzerein, Karel de Kale van Frankrijk, aan het einde van de zeearm, het “Zwin”, waar een aantal riviertjes in de zee uitmonden.

De Vikings hadden er hun “brygghia” of “aanlegplaats” van gemaakt van waaruit ze het binnenland plunderden. Centraal gelegen en toegankelijk zowel over land als over zee werd Brugge weldra de belangrijkste goederenmarkt van Europe en dit tot het einde van de 14de eeuw.

Een aantal faktoren wijzigden deze toestand. Toch duurde de luister van Brugge nog één eeuw langer omwille van de Hertogen van Bourgondië die hier ook hun residentie hadden en er de “Vlaamse Primitieven” heen lokten, de 15de-eeuwse schilderschool met namen als Jan Van Eyck, Hugo van der Goes, Hans Memling, Gerard David en anderen. De dood van de jeugdige Maria van Bourgondië dompelde Brugge in een winterslaap die zou duren tot in het begin van de 20ste eeuw.

Twee wereldoorlogen vertraagden echter die bloei. Toch is Brugge een historische stad gebleven met ruime perspectieven voor de toekomst.